Integrale evaluatie van klimaatmaatregelen voor de Nederlandse melkveehouderij

Integrale evaluatie van klimaatmaatregelen voor de Nederlandse melkveehouderij

Studie voor RVO

Qua klimaatimpact op nationaal en ketenniveau is de Nederlandse melkveehouderij de grootste agrarische sector in Nederland. Hierbij spelen de methaanemissies door pensfermentatie een rol, maar ook overige broeikasgassen op de boerderij en in de aanvoerketen van diervoer en kunstmest. In de tijd dat het klimaatakkoord is opgesteld is een maatregelenpakket geïdentificeerd dat kan bijdragen aan een reductie van de klimaatimpact van de melkveehouderijen. De mogelijke impact en invloed op andere milieuaspecten op de boerderij en in de keten zijn destijds alleen kwalitatief beoordeeld.

Blonk Consultants heeft in opdracht van RVO een levenscyclusanalyse (LCA) uitgevoerd om de geïdentificeerde klimaatmaatregelen integraal te analyseren.

Doelstellingen en opzet van de studie

Met deze studie wil RVO graag inzicht in de milieueffecten van de klimaatmaatregelen op de Nederlandse melkveehouderij. Daarnaast is de impact van de maatregelen ook getoetst op de gevolgen voor andere milieuthema’s, bijvoorbeeld gerelateerd aan de stikstofstromen. Voor de studie is een werkgroep samengesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van overheid (Ministerie van LNV), sectororganisaties (LTO) en industrie (FrieslandCampina). In samenspraak met deze partijen is een selectie gemaakt van relevante klimaatmaatregelen. Deze klimaatmaatregelen zijn hier rechts weergegeven.

  1. Diervoeradditieven, gericht op prestatieverbetering
  2. Diervoeradditieven, gericht op reductie van enterische emissies
  3. Nitrificatieremmers
  4. Aanzuren van mest
  5. Frequente afvoer van mest

  1. Primaire mestscheiding
  2. Drijfmest beluchten
  3. Gesloten opvang + oxidatie van mest
  4. Mestvergisting
  5. Bemestingsefficiëntie verbeteren
De effecten van deze maatregelen zijn in kaart gebracht op basis van gesprekken met de werkgroep en literatuuronderzoek. Vervolgens is de milieu-impact van deze effecten gemodelleerd aan de hand van de LCA-methode. In totaal zijn 18 milieu-impactcategorieën geanalyseerd. In het rapport ligt de focus op de 7 milieu-indicatoren meest relevant voor voedselproductie, waaronder klimaatverandering (kg CO2-eq), landgebruik (m2a crop-eq), verzuring (kg SO2-eq) en eutrofiëring (kg N-eq).
De functionele eenheid (referentie eenheid) binnen de studie is gesteld op 1 liter vet- en eiwit-gecorrigeerde melk af boerderij, oftewel 1 kg FPCM. Dit is de meest gebruikte functionele eenheid binnen LCA-studies voor de melkveehouderij. De gehanteerde systeemgrenzen zijn van “cradle-to-farm gate”. Dit betekent dat alle activiteiten gerelateerd aan het voeren, telen en huisvesten van melkvee en het verwerven van dierlijke producten op de boerderij zijn meegenomen in de studie. Binnen de studie is de melkveehouderij gemodelleerd als een gesloten systeem in stabiele toestand, waarbij het aantal melkkoeien constant blijft en er geen aankoop van dieren plaatsvindt. Er zijn drie system geanalyseerd: een intensief systeem, een extensief systeem en een gemiddelde boerderij. De emissies kunnen op verschillende plekken in het productiesysteem plaatsvinden. In de studie wordt onderscheid gemaakt in: boerderij, voerproductie in Nederland, voerproductie in het buitenland en overig. Onder overig vallen onder andere de emissies van de productie van op de boerderij verbruikte energie en water.
RVO

Tabel 1 Effect van klimaatmaatregelen op meest relevante milieu-impactcategorieën

De maatregelen gericht op CO2-reductie laten meestal ook een daling zien op de andere indicatoren. Voor het voeradditief gericht op het verbeteren van de voederconversie (maatregel 1) gaan alle milieu-impacts omlaag. Dit komt door een verbeterde efficiëntie in het systeem. Stikstofefficiëntie verbetert het meest bij de maatregel ‘aanzuren mest’, als gevolg van de reductie van ammoniakemissies in de stal en op het veld en het verhoogde stikstofgehalte in de mest. Bovenstaande tabel geeft een overzicht van alle resultaten.

Effect van gecombineerde maatregelen

In de studie is ook onderzocht wat het effect is van een combinatie van maatregelen. Echter, niet alle maatregelen kunnen gecombineerd en tegelijkertijd geïmplementeerd worden. De maatregelen met de grootste reductie voor veel indicatoren zijn ‘vergisten’ en ‘aanzuren mest’. Deze maatregelen kunnen echter niet gecombineerd worden, omdat het beide maatregelen op het mestmanagement betreffen.


In de studie zijn 2 combinatievarianten onderzocht:
  1. Voeradditieven (maatregel 1 en 2) + Nitrificatieremmers (maatregel 3) + Vergisting (maatregel 9)
  2. Voeradditieven (maatregel 1 en 2) + Nitrificatieremmers (maatregel 3) + Aanzuren van mest (maatregel 4)
De eerste combinatie van maatregelen resulteert in een 28,5 % lagere impact op klimaatverandering dan voor het gemiddelde bedrijf (referentiesysteem). De andere milieu-impactcategorieën dalen ook, maar minder sterk. Deze combinatie leidt niet tot significante trade-offs. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande grafiek.

Bij de tweede combinatie zien we een minder dalend effect op klimaatverandering, 18% in vergelijking met het gemiddelde bedrijf (referentiesysteem). De effecten voor fijnstofvorming en verzuring dalen daarentegen fors met respectievelijk 57% en 60%. Deze daling wordt voornamelijk veroorzaakt door de maatregel ‘Aanzuren van mest’.
Combinaties van maatregelen - variant 1

Figuur 1 Resultaten voor maatregelencombinatie 1

Combinaties van maatregelen - variant 2

Figuur 2 Resultaten voor maatregelencombinatie 2



Meer informatie




Vragen over deze studie of interesse in een vergelijkbare studie? Neem contact op met Janjoris van Diepen, per
e-mail: janjoris@blonkconsultants.nl of telefoon: +31 (0)182 579970.